Een terugblik op een roerig energiejaar

(Blog) 2020 was al een jaar vol opschudding. Door de massale vraaguitval tijdens de coronalockdowns kregen met name de olie- en gasmarkten harde klappen, met prijsimplosies tot gevolg. Aan het begin van het jaar was er geen indicatie voor verdere hevige ontwikkelingen. Een gestage stabilisering lag in de lijn der verwachting.

Niets bleek minder waar. 2021 was net zo’n achtbaan als het voorgaande jaar. Hoewel de economie en de oliemarkt een normalisatie lieten zien, was dit voor twee markten geenszins van toepassing: de gas- en CO2-markt. Hier volgt een beknopte tijdlijn van de ontwikkelingen dit jaar.

Het eerste kwartaal: een roerig begin
Het jaar begon in Azië meteen al met de koudste winter in zo’n 50 jaar. Dat leidde tot aardgastekorten, waardoor de vraag explosief steeg. Voor aardgaslevering zijn Aziatische landen doorgaans afhankelijk van LNG-import. En aangezien de prijs van LNG in Azië tot wel €60/MWh hoger lag dan in de VS en Europa, voerden de LNG-tankers en masse richting deze lucratieve markt. De Aziatische gasmarkt was zelfs zo erg in trek, dat LNG-tankers ‘in de file stonden’ voor het Panamakanaal.

Deze vraagpiek had natuurlijk ook zijn weerslag op Europese gasprijzen. We waren een minder aantrekkelijke bestemming voor LNG-tankers, waardoor het aanbod daalde. Daarnaast kreeg de gasindustrie in Texas - de grootste in het land - het zwaar te verduren vanwege de extreme kou in februari, waardoor veel productie stilviel. En tot slot was het hier óók relatief koud in januari, waardoor we een beroep moesten doen op Europese gasbergingen. Ook dit dreef de gasprijzen op.

Tegelijkertijd stegen in januari de prijzen van CO2-emissierechten tot het (op dat moment) hoogste niveau ooit. Veilingen van CO2-rechten waren door technische problemen een aantal weken uitgesteld, wat leidde tot prijsstijgingen. Maar ook politiek ingrijpen dreef de prijzen omhoog. Aangescherpte emissiedoelstellingen die eind 2020 werden bekendgemaakt, zorgden voor een doorlopend prijsopdrijvend effect.

Het tweede kwartaal: nog meer records sneuvelen
Hoewel het niet de koudste aprilmaand ooit was, maakten we dit jaar de koudste april mee sinds 1986. Gemiddeld was de temperatuur volgens het KNMI 6,7 graden - ruim 3 graden kouder dan ‘normaal’ en het grootste verschil met de ‘normale’ temperatuur sinds 1917. Er viel ook flink wat meer sneeuw dan gebruikelijk. Deze lage temperaturen zorgden voor een fikse stijging in gasverbruik (de vraag lag 35% hoger dan het april gemiddelde sinds 2018), terwijl april doorgaans de periode inluidt waarin gasbuffers worden aangevuld.

Ook schoten dit kwartaal de CO2-emissieprijzen verder omhoog. Waar de emissieprijzen in het eerste kwartaal rond de €30/ton lagen, lag het na april reeds rond de €50/ton. De stijging was grotendeels toe te schrijven aan de aangescherpte reductiedoelstellingen van 40% tot 55%, die in april wettelijk werden vastgelegd.

Het derde kwartaal: gasprijzen door het dak
Door de voornoemde ontwikkelingen waren veel landen (waaronder Nederland) niet in staat de gasbuffers tijdig aan te vullen. Voor de aanvulling van deze buffers waren we bovendien afhankelijker dan ooit van buitenlandse levering, aangezien de Nederlandse gasproductie uit het Groningenveld in rap tempo wordt afgebouwd. Maar de twee voornaamste leveranciers, Noorwegen en Rusland, draaiden de gaskraan niet open in reactie op deze krapte en hoge marktprijzen.

In het derde kwartaal werden daarom alle marktmechanismen uit de kast getrokken om de gasvraag (en prijzen) te temperen. Aangezien het aanbod niet voldoende reageerde op de gasprijs, werd bijvoorbeeld overgegaan tot vraagreductie in de vorm van ‘demand destruction’. Zo werd ondanks de torenhoge CO2-prijzen overgeschakeld op kolencentrales, omdat deze vanwege de hoge gasprijzen winstgevender waren, en in de industrie zag je dat de productie werd afgeschaald.

Het mocht niet baten.

Het vierde kwartaal: een nationaal hoofdpijndossier
De lage gasbuffers en aanbodkrapte op de gasmarkt die al het hele jaar opliepen, leidden in het vierde kwartaal dan ook voor dusdanige prijsontwikkelingen dat het nationaal nieuws werd. Sterke prijsfluctuaties met uitschieters van ruim 60% per dag gaven terecht reden tot zorg.

De markt zag oplevering van Nord Stream 2 als een mogelijke oplossing voor de extreme aanbodkrapte. Over deze recent afgeronde pijpleiding, waar al het hele jaar een politieke discussie over werd gevoerd, heeft tot op heden nog niet de benodigde goedkeuring en certificering ontvangen. Sterker nog: plots werd de markt niet alleen geconfronteerd met de vraag “wanneer”, maar ook “of” de nieuwe pijpleiding in gebruik zal worden genomen. Dit nadat de Duitse minister van Buitenlandse Zaken bevestigde dat er met de VS een principe-akkoord was overeengekomen over de ingebruikname, waarbij toestemming zal uitblijven indien er sprake is van “escalatie” tussen Rusland en Oekraïne.

Ook zorgde in dit kwartaal de nieuwe Duitse coalitie voor roering op de CO2-markt, omdat ze plannen hebben een stevige CO2-bodemprijs te introduceren, die in welke vorm dan ook voor opschudding zal zorgen in het Europese handelssysteem.

Conclusie
Dit jaar zagen we een uitzonderlijk samenspel van verschillende factoren, die laten zien hoe complex de energiemarkt is. Klimaatgerelateerde, geopolitieke en economische factoren zorgden voor uitzonderlijke prijsstijgingen die vooralsnog niet kunnen worden getemperd. Nu we de winter ingaan, blijft de gasmarkt kwetsbaar door lage gasbuffers en aanbodkrapte. De CO2-prijzen blijven naar verwachting stijgen. Het resultaat: energie - en daarmee veel producten - blijft duurder worden. Op den duur lijkt een neerwaartse correctie op zijn plaats. Voorlopig behouden de prijsopdrijvende factoren ruimschoots het overwicht.

Chris Guth
Marktanalist
ENGIE